dinsdag 30 juni 2009

Verloren Podcast, afl. 2: Rudi Visker over de authentieke ander

http://www.versspreken.nl/verlorenpodcast/verlorenpodcast2rudivisker.mp3Aflevering 2 van de Perdu's Verloren Podcast is online, en gratis te downloaden. In de Verloren Podcast staat steeds een opname centraal van een performance of een lezing uit de Avondenprogrammering van Perdu. Deze keer: de lezing van Rudi Visker uit het programma "De Authentieke Ander", dat op 6 maart 2009 in Perdu plaatsvond.

Visker is filosoof en als hoogleraar verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit Leuven. Bij Boom/Sun verschenen zijn boeken Lof der zichtbaarheid en Vreemd gaan en vreemd blijven.

Zijn lezing is rijk, rethorisch sterk en uiterst actueel. Je kunt hem downloaden en/of beluisteren hier of via iTunes.

De foto bij dit bericht is van Roeland Fossen. Meer lezen over Visker in relatie tot het onderwerp kan hier. Laat hieronder weten wat je van de lezing vond.

dinsdag 23 juni 2009

Vrijdag 26 juni 2009: Het definitieve eindfeest

Met o.m.: David Sneek, Martin van der Galiën, Rozalie Hirs, Hilde Meeus, K. Michel (o.v.), Matthijs Ponte, Geert S. Simonis, Hedde Zijstra, Miek Zwamborn (live vanuit Zwitserland) e.a.

Muziek: Trio C tot de derde

de•fi•ni•tie de; v -s beschrijving van wat iets is: per ~uit de aard der zaak, vanzelfsprekend

Ook zo genoeg van alle vragen? Wat is literatuur, wat is poëzie, wat is engagement, wat is een eind, wat is een feest, wat is Perdu, wat is een definitie?

Perdu maakt een eind aan alle onzekerheid, met Het definitieve eindfeest. Een avond waarop we alles definiëren, van concreet tot abstract, van grof tot subtiel, van het grootste tot het kleinste, van het allerbelangrijkste tot het meest futiele. U kunt de zomer in zonder vragen. U kunt heerlijk uitrusten tot het volgende Perdu-seizoen. En in september beginnen we gewoon weer opnieuw, met alles te herdefiniëren en alles te bevragen. Tot die tijd: leef in zekerheid!

Aanvang 20:30 uur, zaal open 20:00 uur.
Reserveren is mogelijk via het formulier op de Perdu-website

dinsdag 16 juni 2009

Vrijdag 19 juni 2009: Documentaire poëzie

Met: Bart de Block, Ingrid van der Voort en Samuel Vriezen


Randall Tobias, global coordinator for AIDS, is a Republican.
After two years, only 2% of the $18 billion allotted to fight AIDS has been spent. One-third of it, by law, must be used for "abstinence education." Much of the rest will be spent on drugs. Tobias decides whether the Administration will purchase generic drugs or name-brand drugs, which are three to five times as expensive. Tobias is the former CEO of the pharmaceutical corporation Eli Lilly, which has donated at least $1.5 million to Republicans since 2000.
(Eliot Weinberger, uit: Republicans: A Prose Poem)

Bovenstaande tekst is geen nieuwsbericht, maar een fragment uit het gedicht Republicans: a Prose Poem, een hilarische opsomming van Republikeinse activiteiten en denkbeelden in de nasleep van de aanval op Irak. Het gedicht is een mooi voorbeeld van documentaire poëzie: poëzie die zich expliciet presenteert als een vorm van documentatie en zich situeert te midden van feiten, gebeurtenissen en situaties.

Op 19 juni staat in Perdu de spanning die het gebruik van documentaire vormen oproept centraal: de dichter lijkt ermee zowel een verhouding te zoeken tot de objectieve wereld en de wijze waarop die gemediatiseerd tot ons komt, als dat hij of zij die verhouding zelf documenteert. Documentaire vormen – nieuwsberichten, wetsteksten, rapporten – worden, door hun incorporatie in poëzie, getransformeerd en met nieuwe betekenissen opgeladen. Het resultaat is geëngageerde, conceptueel vaak scherpe poëzie.

Behalve aandacht voor het werk van Eliot Weinberger zal er aandacht zijn voor het werk van Juliana Spahr. Ook haar werk wordt gekenmerkt door de hierboven beschreven spanning in het gebruik van documentaire vormen. Ze reflecteerde op de oorlog in Irak (in This Connection of Everyone With Lungs), onderzocht de politieke status van Hawaii (in Fuck you – Aloha – I love you) en schreef met witness een serie gedichten over AIDS.

Het laatste gedicht werd door Bart de Block in het Nederlands vertaald en verscheen in het onlangs opgerichte tijdschrift Kluger Hans. Bart de Block zal, onder verwijzing naar Lyn Hejinian en Gertrude Stein, de poëzie en poëtica van Spahr duiden, met aandacht voor de rol en betekenis van het documentaire hierin. Ook zal hij kort ingaan op het gebruik van documentaire vormen en technieken bij andere hedendaagse Amerikaanse dichters. Samuel Vriezen zal inzicht verschaffen in de beweegredenen van het gebruik van documentaire vormen bij een groot aantal andere Amerikaanse dichters, onder wie Leslie Scalapino, Susan Howe en Ron Silliman.


Aanvang: 20:30 uur, zaal open: 20:00 uur.

Reserveren kan via het formulier op de Perduwebsite

dinsdag 9 juni 2009

Vrijdag 12 juni 2009: Ziekte als metafoor

Met: Arko Oderwald, Karin Spaink (o.v.), Gerard Steen, Oliver Oat and his Magnificent Moving Orchestra

NOG ENKELE PLAATSEN VRIJ. RESERVEREN VOOR DEZE AVOND WORDT AANBEVOLEN

De geëngageerde schrijfster en essayiste Susan Sontag (1933-2004) wordt wereldwijd geroemd om haar beschouwende, kritische essays. Met Illness as metaphor (1978) presenteerde ze een vernieuwende benadering van het menselijk lichaam, waarin ziekte als metafoor wordt voorgesteld. Medische diagnoses zoals tuberculose, kanker en AIDS worden overschaduwd door hardnekkige mythen over oorzaken, eigenschappen en gevolgen van de ziekte. Sontag toonde dit doeltreffend aan met fragmenten uit het werk van onder anderen Tolstoi, Baudelaire en Victor Hugo:


"Het kloosterleven, zoals dat in Spanje bestond en nog steeds in Tibet bestaat, is voor de samenleving een soort tuberculose. Het snijdt het leven af. Heel simpel gezegd: het ontvolkt. Het is eenzame opsluiting, castratie. In Europa was het een plaag."
(Les Misérables, Victor Hugo)

In het verlengde van Sontags denkbeelden over ziekte, beeldvorming en literatuur verzorgt Medisch Centrum Perdu een bijzonder avondprogramma. Arko Oderwald is werkzaam bij de afdeling Metamedica van het VUmc en universitair hoofddocent Filosofie en Medische ethiek. Vanuit deze achtergrond zal hij Sontags visie kort toelichten en van commentaar voorzien, want de inhoud van Illness as metaphor leent zich nog altijd – ook ruim dertig jaar na publicatie – voor discussie.

Een ander geluid komt bijvoorbeeld uit de richting van schijfster, columniste, activiste, essayiste en feministe Karin Spaink. Het autobiografische Het strafbare lichaam. De orenmaffia, kwakdenken en het placebo-effect (1992) is een afrekening met de metaforische benadering van ziekte en invaliditeit. Spaink zal deze stellingname in een lezing verder toelichten. Om het literaire aspect van de metafoor niet uit het oog te verliezen, wordt er ook vanuit literair-kritische hoek op het thema gereflecteerd.

De artistieke omlijsting van de avond is in handen van Oliver Oat and his Magnificent Moving Orchestra. Gewapend met blaasorgel, ukelele en percussie geven zij een unieke, cabareteske visie op het onderwerp van de avond.

Aanvang: 20:30 uur; zaal open: 20:00 uur

Voor een reservering klopt u hier aan bij de website van Perdu.

dinsdag 2 juni 2009

Vrijdag 5 juni 2009: Liefde en afstand

Met: J.Z. Herrenberg, Dominiek Hoens, Jelle Koopmans

“L'amour, c'est donner quelque chose qu'on n'a pas”, zo luidt de beroemde uitspraak van psychoanalyticus Jacques Lacan. Op 5 juni wil Perdu ruimte bieden voor het bespreken van de afstand die de bovenstaande paradox veronderstelt. Lacan noemt de liefde twaalf jaar later in zijn seminarie Encore “ce qui supplée au rapport sexuel” – de relatie die hij eerder met de kwalificatie 'non-existent' had geproblematiseerd.

De Gentse filosoof Dominiek Hoens promoveert op de behandeling van liefde bij Lacan en Badiou. Alain Badiou formuleerde in twee stukken (Qu'est-ce que l'amour en La scène du Deux) een wijsgerige reconstructie van de liefde die zich enerzijds afzet tegen drie door hem geïdentificeerde schema's en tegelijkertijd voortborduurt op een daarvan, het lacaniaanse: “Liefde is geen emotionele toestand, ze is niet te herleiden tot bepaalde evolutionaire mechanismen en evenmin een effect van socio-culturele wetten of wetmatigheden. Liefde is militant denken: geen conceptuele analyse en geen uitgezuiverde logische analyse maar een denken dat wezenlijk anti-filosofisch is omdat het het verondersteld beschikbare weten uitdaagt en ter discussie stelt”, schrijft Hoens over Badious liefdesfilosofie in het artikel Love Will Tear Us Apart, gepubliceerd in Yang 1.2004. Liefde vertegenwoordigt voor Badiou een moment van waarheid. Dominiek Hoens zal verslag doen van zijn onderzoek, waarin hij onder meer in zal gaan op de scheiding tussen waarheid en weten die aan een dergelijke positie ten grondslag ligt.

Na deze theoretische fundering zal er aandacht zijn voor de plaats die de afstand in een liefdesverhouding inneemt in de literatuur. Onmiskenbaar hierbij is de bron van subversiviteit die deze afstand vormt in de hoofse lyriek. Ter afsluiting zal J.Z. Herrenberg zijn hartverscheurende verhaal Love Is Here voorlezen, dat later in de maand wordt gepubliceerd in het tijdschrift DWB.

Aanvang: 20:30 uur; zaal open: 20:00 uur. Reserveren: klik hier

dinsdag 26 mei 2009

Ik wil een manifest waar langer dan vijf minuten over nagedacht is


Foto:
Dolf Verlinden

Erik Jan Harmens stelde de bloemlezing ik ben een bijl samen, met poëzie ‘die ertoe doet’. De inleiding die hij erbij schreef is echter eerder genant dan relevant.

Stijlfiguren

'Ik wil poëzie die op geen enkele manier vrijblijvend is. Ik wil poëzie die zich aan iets committeert. Ik wil poëzie die zich op zijn minst aan zichzelf committeert.' Zo begint Harmens’ inleiding, die overigens intergraal te lezen is bij Trouw, en alleen al deze eerste drie zinnen illustreren perfect wat er aan de retorische structuur van de hele redenering scheelt.
Harmens zegt telkens hetzelfde, op dezelfde manier. Hoe meer hij echter hetzelfde zegt, hoe minder zijn woorden nog betekenis hebben. Harmens’ retoriek wist zichzelf uit.
Ga maar na. De eerste zin is nog uiterst ferm en daadkrachtig: vrijblijvende poëzie is niet wenselijk, op geen enkele manier. De poëzie moet zich ‘aan iets’ committeren. Waaraan is blijkbaar minder belangrijk - mag de poëzie zich misschien ook aan iets vrijblijvends committeren? Vervolgens formuleert Harmens de ondergrens van het commitment: de poëzie moet zich op zijn minst aan zichzelf committeren.
Wat blijft er dan nog, zo vraag ik mij af, van dat eerste statement over? De poëzie moet ergens een verbinding mee aangaan. Waarmee dan? Met iets. Sorry, waarmee? Met zichzelf.
Het is een klassieke anticlimax. Met die constatering komen we bij een ander eigenaardig aspect van Harmens’ inleiding: de diepe wantrouwigheid die eruit spreekt ten opzichte van de stijlfiguur. Harmens wil geen alliteraties en geen enjambementen meer en metaforen zijn verdacht en volkomen uitgekauwd.
Voor het gemak gaan we er dan maar aan voorbij dat de gehele inleiding bij Harmens’ bloemlezing opgebouwd is rond een enkele stijlfiguur: de anafoor. Ik heb ze niet geteld, maar ik vermoed dat ongeveer tweederde van Harmens’ zinnen beginnen met de woorden ‘Ik wil’. Nu is een inleiding uiteraard geen poëzie, maar het doet Harmens’ argument op zijn zachtst gezegd geen deugd dat het enerzijds diep wantrouwig is ten opzichte van stijl, en anderzijds slechts op stilistisch niveau iets van samenhang vertoont.
Ook aan het gebruik van de door hemzelf zo in een hoek gedrukte metafoor, ontkomt Harmens niet. “Ik wil poëzie die heult, broeit, kweelt, steekt, roetsjt, schmiert, ontzet, verwringt en zogenaamd paait.” Ieder van deze werkwoorden veronderstelt een metafoor. Die is niet altijd even helder (‘heulen’ doet men in de regel met iets of iemand), maar bijvoorbeeld het idee van een poëzie die broeit, veronderstelt de volgende metafoor: poëzie is een hooiberg. Poëzie is een zanger, poëzie is een mes, poëzie is een acteur.
De metafoor mag niet van Harmens, omdat “alles al met elkaar vergeleken [is]”. Wat mag dan wel? De metaforen die ik hierboven noemde, representeren de poëzie naar Harmens’ wens. De poëzie als een gezang, of een zanger, de poëzie als een acteur, poëzie als iets dat gevaarlijk is: het zijn de meest afgrijselijke clichés die hier ten berde worden gebracht.
Op welke grond was hier aan de dichter ook alweer het gebruik van de metafoor ontzegd? Juist.

Sjembek

Deze verregaande onhandigheid, deze ongemakkelijke houding ten opzichte van retorische middelen, waarbij de retoriek zowel bedreven als verboden wordt, is volgens mij een uitwas van Harmens’ weigering om de verhouding tussen taal en werkelijkheid te overdenken. Marc Reugebrink doet al haarfijn uit de doeken hoe Harmens zich vastdraait in het idee dat literatuur de werkelijkheid representeert. ‘Literatuur produceert werkelijkheid’, legt Reugebrink uit, en het zegt veel, zo niet alles, over het niveau van Harmens’ inleiding dat het nodig is om zo’n basaal besef nog eens voor hem voor te kauwen.
Was taal, om Harmens’ opzet toch even te volgen, nu wel in staat om de werkelijkheid te representeren, dan zou ze daar geen retorische ‘trucs’ voor nodig hebben. Trucs, zo maakt Harmens’ inleiding ons immers duidelijk, verhelderen niets, ze verhullen. Retoriek zegt het een en bedoelt het ander. Harmens eist op luidruchtige wijze een taal die precies zegt wat er bedoeld wordt. Daarom verbant hij het vrij willekeurig aandoende trio de metafoor, het enjambement en de alliteratie uit de poëzie. Eindrijm bijvoorbeeld mag blijkbaar gewoon nog, of is wellicht intussen zo uitgerangeerd dat het niet meer ter sprake hoeft te komen.
Schaf je de stijlfiguur af, dan verdwijnt de poëzie. Zelfs Harmens weigert dat kind met dat badwater weg te gooien. Daarom blijft zijn poging halfslachtig. Dit is de onhandigheid waar ik het zoëven over had. Aan de ene kant is er bij Harmens het besef dat in de taalheidsopvatting die hij hanteert, retoriek het zicht op de werkelijkheid vertroebelt. Aan de andere kant is er ook ergens een besef van de retorische aard van de poëzie. Bepaalde retoriek is daarom wel toegestaan: “Ik wil poëzie die dezelfde mate van creativiteit en taalplezier uitstraalt als de raps van De Jeugd Van Tegenwoordig.” Ik zou ook best De Jeugd Van Tegenwoordig willen zijn, maar laten we vooral niet doen alsof de Jeugd geen stijlfiguren gebruikt, of andere stijlfiguren tot zijn beschikking heeft dan de ouderen van tegenwoordig.
We hebben hier te maken met retoriek die geen retoriek mag heten. Wat bij De Jeugd Van Tegenwoordig ‘creativiteit en taalplezier’ heet, is elders een ‘abject alomtegenwoordig apenkunstje’. Ontkennen dat hier alliteratie plaatsvindt lijkt me in elk geval niet mogelijk: ‘Je bent een sjembek dat zeurt, maar je weet niet watskeburt, watskeburt, watskeburt.’
Het discours is intussen al onherroepelijk stuk. Niets kan deze onzin nog aan elkaar praten. Typisch genoeg probeert Harmens’ dit juist wel. En nog veel typischer is zijn oplossing een retorische.
Een eerste voorbeeld daarvan zagen we al voorbij komen: de constante dreunende anaforen waaraan Harmens zijn lezer blootstelt. Ik wil, ik wil, ik wil... De eenheid die in de gedachte ontbreekt, wordt in de vorm wel bereikt.
Er is daarnaast nog een manier waarop Harmens de breuk tussen taal enerzijds en werkelijkheid anderzijds probeert te lijmen. Dat is door het authentieke in te zetten als ultieme toetssteen.

Implosiegevaar

Bij een eerste lezing lijkt de crux van Harmens’ betoog in de vierde alinea te zitten. Harmens ‘wil dat poëzie een reflectie is van de tijd waarin ze is geschreven.’ Vervolgens geeft hij een samenvatting van alle NOS-journaals van de afgelopen paar jaar.
Reugebrink geeft al terecht aan dat het nieuws niet de werkelijkheid is. Ook Harmens begrijpt dat het journaal geen poëzie is. Daarom zal er toch wel degelijk iets met het materiaal, de ‘werkelijkheid’ moeten gebeuren, voor het goede poëzie wordt. De poëzie moet het journaal bevatten, maar ‘niet letterlijk natuurlijk, want poëzie dient zich niet letterlijk aan. Ze verbeeldt iets.’
Wat onderscheidt nu die goede verbeelding van de foute stijlfiguur? Noodzaak bijvoorbeeld. Harmens eist ‘poëzie die klaarblijkelijk geschreven móést.’ Of eigenzinnigheid en afwijzing door de gevestigde orde: ‘poëzie die op de schrijversvakschool wordt weggehoond’ - overigens een voorbeeld dat zichzelf alleen al omwille van zijn eigen clichématigheid direct in de staart bijt. Overrompelende, onmatige poëzie wil Harmens, wakkere, gevaarlijke poëzie die géén entertainment is.
De onderliggende eis is dat de poëzie echt is, dat ze authentiek is. Uiteindelijk scheidt de notie van het authentieke de goede van de slechte poëzie. Authentieke poëzie kan, ondanks haar gekunsteldheid, ondanks dat ze ‘verbeeldt’, de werkelijkheid representeren. Althans, dat neemt Harmens aan. Trucjes zijn slecht omdat ze de werkelijkheid verhullen.
‘Ik wil poëzie die zich niet bedient van trucjes. Dichten is niet: iets zo zeggen dat mensen op het verkeerde been gezet worden. Dichten is niet: allerlei trucjes tot in de puntjes beheersen. Dichten is: lyrisch verbeelden.’
Verbeelding is iets goeds omdat het iets onthult, omdat de juiste vorm van verbeelding de grens tussen gedicht en werkelijkheid opheft: ‘Als de verbeelding niet guur is maar behaaglijk warm, meen ik dat poëzie zich ophoudt onder een kaasstolp. En ik wil geen poëzie die zich ophoudt onder een kaasstolp.’
Zonder authenticiteit is de poëzie veroordeeld tot een bestaan onder de kaasstolp van de taal. Maar het authentieke is zelf slechts mogelijk in de taal. Dat is duidelijk te zien aan de verwijzingen waarmee Harmens het authentieke aanwezig stelt in zijn tekst. Telkens noemt hij het inauthentieke in negatieve zin, en stelt hij daar het authentieke tegenover, dat niet anders dan uiterst vaag omschreven wordt. Het authentieke is daarmee het niet-inauthentieke. Authentiek is je niet aan de regels van het burgerlijke leven of de schrijversvakschool houden, authentiek is het niet-vrijblijvende, het onmatige, het nergens op lijkende, het niets verhullende.
Er zijn ook enkele positieve referenties aan wat authentiek zou kunnen zijn. Zo functioneren bijvoorbeeld de straattaal en de hiphop (van De Jeugd Van Tegenwoordig) als aanduidingen van authenticiteit. Maar straattaal en hiphop zijn zelf niet authentiek: ze incorporeren slechts het discours van het authentieke, of krijgen het van buiten opgelegd.
Het authentieke veronderstelt als begrip dat het een ultieme grond heeft - dat is ook de reden waarom Harmens hoopt dat het authentieke de scheur in zijn discours kan repareren. Via het authentieke zou het mogelijk moeten zijn om aan de werkelijkheid te raken. Dat gebeurt echter niet. Integendeel: Harmens’ tekst is door en door retorisch van aard, juist in de wijze waarop geprobeerd wordt het authentieke te representeren.
In Harmens’ betoog wordt iets heel eigenaardigs geprobeerd. Hij wil dat de taal op niet-retorische wijze aan de werkelijkheid raakt. De manier waarop hij dat doet, is paradoxaal genoeg, retorisch. Dat maakt zijn tekst tot een onmogelijkheid.
Die onmogelijkheid wordt als het ware gesublimeerd in het begrip van het authentieke. De ongrijpbaarheid van het authentieke maakt dat het lijkt alsof daarin de oplossing gelegen is. Dat is echter schijn. Ook het authentieke is retorisch, is talig.
Daarmee is het echec van deze tekst compleet.
Toen Ilja Leonard Pfeiffer deze inleiding en het bijbehorende ‘Manifest voor een riskante literatuur’ op de Contrabas een autobom noemde, vergiste hij zich. In plaats van een dodelijke terroristische ontploffing, zien we hier een jammerlijke implosie.

maandag 25 mei 2009

Vrijdag 29 mei 2009: Ik ben een god in het belangrijkste van mijn ideeën: Flarf

Ik ben een god in 't belangrijkste van mijn ideeën: presentatie van Flarf, een bloemlezing

Met: Ton van 't Hof, Willem Bongers, Ernst van den Hemel, Hans Kloos, Kiene Brillenburg Wurth, Nanne Nauta, Jeroen van Rooij, Mark van der Schaaf, sven staelens en Erwin Vogelezang

In het begin van het nieuwe millennium stak in de Verenigde Staten een nieuwe poëtische avant-garde de kop op: flarf. Een groep dichters die zo slecht mogelijke poëzie wilden schrijven begon zich rondom een mailinglijst te verenigen. Hun teksten hadden met elkaar gemeen dat ze samengesteld waren uit het talige vuilnis dat ook toen al een groot deel van het internet besloeg.

Intussen is er veel veranderd en veel hetzelfde gebleven. De leden van het oorspronkelijke flarfcollectief hebben intussen meermaals de stap van een mailinglist naar een papieren bundel gemaakt. De afhankelijkheid van internetcollagetechnieken is gebleven, maar de beweging is groter gegroeid en heeft internationale navolging gekregen.

Zo ook in Nederland. Ton van ‘t Hof, flarfdichter van het eerste uur en redacteur van het weblog De Contrabas, heeft een groep Nederlandse flarfdichters bij elkaar gebracht om een gezamenlijke bloemlezing te maken. De groep bestaat uit Ton van ‘t Hof zelf, Willem Bongers, Hans Kloos, Nanne Nauta, Jeroen van Rooij, Mark van der Schaaf, sven staelens en Erwin Vogelezang. Op deze avond presenteert Perdu een gevarieerd programma met en over flarf, waarbij de bloemlezing, die de simpele titel Flarf, een bloemlezing heeft gekregen, gepresenteerd wordt.


Aanvang: 20.30 uur; deur open: 20.00 uur
Reserveren: vul het formulier waar u naar toe geloodst wordt door hier te klikken.