Posts tonen met het label De Recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Recensie. Alle posts tonen

maandag 8 december 2008

Recensie: Sake van der Wall over 'De Baal Shem Tov en de rol van het wonderlijke in het religieuze verhaal'

Op zondag 7 december presenteerde Perdu 's middags het programma 'De Baal Shem Tov en de rol van het wonderlijke in het religieuze verhaal'. Sake van der Wall bezocht Perdu en schreef over dit programma de volgende recensie:


Een kennismaking met de Chassidische verhaaltraditie

Op zondagmiddag 7 december voerde de metafysicus en godsdienstfilosoof Victor Kal in Perdu een groepje van ruim twintig mensen terug naar de vlakten van het 18e eeuwse Oost-Europa. Hij vertelde hoe in een gebied dat afwisselend tot Polen, Rusland of de Oekraïne behoorde, in stettles, Joodse gemeenschappen in armoede leefden. In zo'n gemeenschap werd in 1698 de latere rabbi Baal Shem Tov (Basht) geboren. Dit was de stichter van het Chassidische jodendom, een stroming die eerst slechts in de marges van het joodse geloof bestond, maar in 150 jaar uitgroeide tot één van de grootste facties van het jodendom; inmiddels heeft de beweging over een groot deel van de wereld volgelingen.
In de Chassidische traditie nemen verhalen een belangrijke plaats in. Het leven en de leer van Baal Shem Tov worden overgeleverd door realistische vertellingen en parabels. In Perdu werd daarom niet alleen door Kal een lezing gegeven over de Chassidische verhaaltraditie, maar werden er ook een aantal verhalen voorgelezen door Fajga Szmulewicz. De bekendste Chassidische verhalenverteller is waarschijnlijk Isaac Bashev Singer, die in de jaren 30 van de twintigste eeuw naar De Verenigde Staten emigreerde en in 1978 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg.
Szmulewicz las eerst het verhaal ‘waarom de rijke arm werd’ voor. De zaken van een rijk man, van een weldoener, die één dochter heeft, gaan opeens slecht. De man vraagt steeds aan de Baal Shem Tov waarom god de zaken slecht laat gaan, maar de Basht geeft geen antwoord. De man wordt arm en zijn dochter wordt verliefd op een arme herder. Ze trouwen. Daarna gaat het de weldoener opeens weer voor de wind. Hij heeft nog slechts één grief, namelijk dat zijn enige dochter met zo’n slechte partij is getrouwd. Hij gaat naar de Basht en vraagt om opheldering. De Basht vertelt hem dan dat het huwelijk zo door God is voorbestemd. De dochter en haar herder leefden nog lang en gelukkig.
Volgens Kal is het belangrijke van dit verhaal dat er in het middenstuk iets voor de hoofdpersoon verborgen blijft: de weldoener weet niet waarom zijn zaken opeens slecht gaan en krijgt daarop van de Basht ook geen antwoord. Maar omdat er volgens het Chassidisme ‘geen plek is waar God niet is’, zal de voorzienigheid er wel achter zitten, hebben de onbevattelijke gebeurtenissen een reden. Volgens Kal is dit een veel voorkomende gedachte binnen het joodse geloof, maar brengt Baal Shem Tov hem door de verhalen voor het eerst naar het niveau van de gewone man, in wiens leven ook veel verborgen blijft.
De kennismaking met het Chassidische verhaaltraditie eindigde na de pauze met een ingekorte lezing van ‘sparen voor het paradijs’ van Bashev Singer. Behalve een mooie illustratie bij de vele religieuze ideeën die die middag naar voren waren gekomen, smaakte dit naar meer, naar meer Chassidische verhalen.

zaterdag 6 december 2008

Recensie: Sake van der Wall over 'Toon Tellegen leest "Raafvogels"'

Op 4 december organiseerde Perdu een programma met als titel Toon Tellegen leest 'Raafvogels'. Sake van der Wall bezocht deze avond en schreef onderstaande recensie:


" Toon Tellegen kende ik nauwelijks, voordat ik afgelopen donderdag naar Perdu ging. Ik was wel eens met zijn werk in aanraking gekomen bij een meisje thuis, die me enthousiast iets liet lezen over een mier, een sprinkhaan of een lieveheersbeestje die praatte over de zin van het leven en allerlei andere diepe dingen. Er ging van deze dierenverhalen wel een zekere charme uit, maar ze konden mij niet echt boeien. In de gesprekken van de dieren werden grote woorden klein gebracht, maar voor mij kwam de noodzaak om ze überhaupt te brengen niet over.

In Perdu ging het afgelopen donderdag 4 december niet over dieren. Anders dan de titel Raafvogels doet vermoeden gaat de dichtbundel niet over raven of vogels, maar over een gezin, met een vader in de hoofdrol. Toon Tellegen droeg de hele bundel voor, waarbij Albert van Veenendaal tussen twee gedichten in steeds een paar akkoorden op de piano speelde, de ene keer donker en dreigend de andere keer dissonant en pijnlijk.

In zijn inleiding vertelde Tellegen dat hij twaalf jaar geleden aan een roman begon over een zeventienjarige jongen met verbeeldingskracht. De jongen verzon eerst een familie, daarna zijn imaginaire zelf en ten slotte kreeg hij een psychose en belandde in een kliniek. Omdat Tellegen de roman mislukt vond, verscheurde hij vijf jaar geleden het manuscript en gooide de snippers in de Stadhouderskade – dat vertelde hij tenminste. Alleen de gedichten die de hoofdpersoon over zijn verzonnen vader schreef, bewaarde Tellegen en publiceerde ze later als Raafvogels.

Ieder gedicht van de bundel begint met de woorden ‘Mijn vader’, vervolgens komt er een sleetse uitdrukking. De vader ‘waste’ bijvoorbeeld ‘zijn handen in onschuld’, ‘kookte in zijn sop’, en ‘raakte aan lager wal’. Tellegen gebruikt de clichés echter bewust. Hij speelt er een spel mee. Zo schrijft hij: ‘Mijn vader speelde met vuur en vloog in brand’ en ‘Mijn vader liep in zeven sloten, maar mijn moeder verdronk’. Dit spel zorgt voor eenzelfde soort komisch effect als de gesprekken in de dierenverhalen, en net zoals de dieren komt de vader regelmatig in aanraking met het diepere en existentiële. Ook bij Raafvogels ontging me echter de reden hiervoor en ik had niet het idee dat het meer was dan spielerei.

Dat is jammer, want Raafvogels roept wel allerlei vragen op. Waarom schrijft hij zo afstandelijk over een vader, over een vader die bovendien ook nog eens verzonnen is? Wilde Tellegen met zijn woordspelletjes meer bewerkstelligen dan een droogkomisch effect? En waarom worden al die grote woorden alleen maar genoemd, terwijl poëzie traditioneel een genre is dat iets toont en je dingen laat invoelen? Het was jammer dat Tellegen na afloop hierover niet werd geïnterviewd, dan had je op de avond iets meegekregen dat je niet krijgt als je alleen de bundel leest.

Dit zijn echter wel allemaal vragen over de literaire keuzes van de auteur. De gedichten zelf bleven voor mij een rustig, voortkabbelend spel met uitdrukkingen – best prettig om naar te luisteren, zeker omdat Tellegen een mooie, rustige stem heeft, maar niet voor veel langer dan een paar gedichten. De gedichten prikkelden niet, niet mijn verbeelding en niet mijn verstand. Natuurlijk hoeft dat ook niet. Maar als een schrijver zoveel woorden wijdt aan ‘het diepere’ en ‘het hogere’, wil ik op zijn minst een keer meegenomen worden naar de diepten van de taal en die zogenaamd diepere zaken ervaren. "

vrijdag 28 november 2008

Recensie: Erik Bloem over programma ' Stad en Dichter'

Op 21 november organiseerde Perdu een programma met als titel Stad en Dichter. Erik Bloem bezocht deze avond en schreef onderstaande recensie:



Woon in mij


De avond staat in het teken van de relatie tussen de (stads)dichter en de stad. Ditmaal worden de poëten echter gedwongen zich voor te stellen hun stad te ‘zijn’. Opdracht was namelijk: wat voor poëzie zou de stad zélf schrijven als zij een dichter was? Onderliggende vragen zijn natuurlijk: Wat is de stad dan? Waar heb je het over als je het over de stad hebt? De stad. Zijn dat de straten, de huizen, de bevolking, de volksaard, de geschiedenis? Zoveel antwoorden, zoveel wegen naar een poëtica van de stad.

Hans Kloos, stadsdeeldichter van het Amsterdamse Westerpark, ziet de stad als een verzameling straten, plekken en objecten. Hij ordent ze in een plattegrond, schrijft vanuit deze perspectieven de gedichten van de stad en verpersoonlijkt: het wegdek van de Van Diemenstraat wil niet herkend worden, een bushokje verhaalt over zijn gasten en zijn verleden.

Daan Doesborgh ziet zijn Venlo als een oude dame, met een kopje koffie, en een likeurtje. Een kwartier langt spuwt zij gal op het papier dat de Venlonaar zelf zwart had moeten kleuren. Een wanhopige, prachtige klaagzang, waarbij Doesburgh bijzonder fel wordt zonder het gracieuze van de oude dame te verliezen. In het harnas van het dialect kan de Venlonaar namelijk niet met goed fatsoen over grootse zaken dichten. Hij verzandt in understatements als hij zich niet al volkomen belachelijk maakt met zijn oubollige krachttermen. Toch is er hoop. Net zoals de oude dame, klaagt de Venlonaar. Steen en been. Doesborgh hoopt met haar dat dit geklaag het papier zal bereiken. De poëtica van Venlo belichaamt dus een wens, een verlangen. Als de Venlonaar het zelf niet doet, laat dan alsjeblieft een buitenstaander iets optekenen over deze genegeerde stad aan de Maas, zo meent de oude dame.

In Oostende laat scheidend dichter Eddy de Buf de stad zijn laatste poëzie na. ‘Woon in mij’, ‘spuug op mij’. Hij verleidt als stad. De warme stem van de Buf waait de toeristen weg uit de straten van de kustplaats. Hij wil alleen met haar zijn. Oostende heeft als stad waarschijnlijk de meeste gedegen opleiding tot poëet gevolgd. Altijd was het uitzicht anders, de beroering verschillend, het verlangen ondraaglijk. Immers, Oostende ligt aan zee.

‘Emmen zou als poëet zelfs geen gedichten schrijven’ begint haar stadsdichter Bart FM Droog. ‘Emmen is namelijk volwassen geworden als analfabeet.’ Droog schetst de geschiedenis van de regio aangevuld met een hypothetische oerpoëzie. Een eerste gedicht van de stad zou kunnen hebben geklonken als het ‘Pick a bail of cotton’ van de Amerikaanse singer-songwriter Leadbelly. Naar het Drentse leven toen Emmen ontstond vrij vertaald als ‘Spring op, draai je om, duw een zware kei/spring op, draai je om, duw een kei vooruit’. Toch vindt Droog misschien wel de meest uitgebreide poëzie der steden. Bij monde van andere dichters over andere steden laat Droog een geloofwaardige poëtiek van Emmen zien, het dorp uit twintig dorpen dat in de bewoordingen van de stadsdichter zelf ‘gezien de absurde bouw- en sloopprojecten van de afgelopen zes decennia’ het volgende had kunnen dichten: ‘Bouwen, groot, groter, grootst/asfalteren, breed, breder, breedst/kijken, bleek, bleker, bleekst/slopen, snel, sneller, snelst/bouwen, groot, groter grootst’.

Door het verschuiven van perspectieven ontstaan vaak interessante uitzichten, ook ditmaal. Het stellen van een ongewone vraag leidt tot ongewone antwoorden en dit legitimeert gelijk het stellen van die vraag. Toch heeft de stad de dichter nodig. Zonder dichter geen poëzie. De stad zal dus blijven spreken bij monde van de dichter en kent zo even zovele karakters als er geschreven zinnen over haar zijn. Een bijzonder geslaagde avond.

Erik Bloem

Hans Kloos: www.hanskloos.nl

Daan Doesborgh: stadsdichtervenlo.blogspot.com

Bart FM Droog: www.volkskrantblog.nl/blog/6633

Eddy de Buf: www.eddydebuf.be

zaterdag 22 november 2008

Recensie: Erik Bloem over 'Rituele Taal'

Op 14 november organiseerde Perdu een programma met als titel Rituele Taal. Erik Bloem bezocht deze avond en schreef onderstaande recensie:


Vorm wordt betekenis


Onze kijk op taal is sterk Westers. Wij gebruiken taal primair om te communiceren. Toch is in literatuur, en in nog sterkere mate in poëzie, de functie van taal tweeledig. Er is nog steeds sprake van informatieoverdracht, maar met als doel diezelfde taal te ontstijgen en de lezer of toehoorder toegang te verschaffen tot het verhaal, het gevoel.

In poëzie staat het aantal woorden vaak in schril contrast met de zeggingskracht, immers hoe minder in taal gevangen hoe meer ruimte voor de verbeelding. De woorden op papier ontsluiten een buitentalig universum. Poëzie raakt zo aan rituele taal, het roept verhalen, gevoelens en beelden op die de tekst ontstijgen.

Jan de Roder, essayist en literatuurwetenschapper, laat zien hoe in poëzie stijlfiguren als chiasme (kruisstelling) een icoon kunnen zijn van de betekenis die de dichter wil overdragen. Ritme en klank spelen hierbij een rol. Het blijkt dan ook erg moeilijk poëzie te vertalen zonder de oorspronkelijk tekst geweld aan te doen. De betekenis is onlosmakelijk verbonden met het geluid van de taal.

Dit speelt ook een rol in de ‘performances’ van Jennifer Tee. Ze wil hierin een spanning bouwen tussen de objecten en wat er gebeurt. Acteurs zeggen hiertoe rituele teksten in verschillende talen op die door haar geschreven zijn. Tee stelt dat de betekenis van een woord verandert bij vertaling, omdat de klank anders is. Het roept een ander gevoel op.

De Roder noemt als voorbeeld van rituele poëzie de Japanse Haiku. De betekenis die deze vorm belichaamt kan door ons als Europeanen slecht gevoeld worden door het gebrek aan culturele achtergrond hiervoor. Zo ook de rituele taal waar taalwetenschapper Aone van Engelshoven ons deelgenoot van maakt. Op Oost-Timor, in het Lautem district rond het dorpje Tatuala, wordt door een handvol inwoners Makuva gesproken, een geheime en rituele taal, onder andere gebruikt bij plechtigheden voor overledenen. Van Engelshoven constateert dat de taal hier verder af staat van de concrete zaken waar deze in het Westen naar verwijst. De enkeling die de taal spreekt weet soms niet eens dat hij dat doet. Het zijn klanken waar iedereen de betekenis van kent. Een enkele klank is genoeg om een verhaal te vertellen en, belangrijker, verhalen zijn echt en kunnen dan ook niet als spinsels van de geest worden beschouwd. Alle verhalen zijn daarbij varianten of episodes uit een verhaal. Deze evoquerende kracht doet denken aan wat poëzie teweeg brengt.

Het onderwerp leent zich er lastig voor in een avond behandeld en verduidelijkt te worden. Iedere spreker heeft een andere kijk op rituele taal en een andere manier om de betekenis hiervan onder woorden te brengen, en dus te vangen. Echter, met genoeg fantasie konden de afzonderlijke onderwerpen wel degelijk nieuwe werelden openen die de taal ontstijgen.

Erik Bloem

zaterdag 15 november 2008

Recensie: Erik Bloem over 'De Uitgestelde dood van Jacques Rigaut'

Op 7 november organiseerde Perdu een programma met als titel De uitgestelde dood van Jacques Rigaut. Erik Bloem bezocht deze avond en schreef onderstaande recensie:


Er is niets mogelijk, zelfs geen zelfmoord

Met deze woorden die nazingen in mijn hoofd word ik de donkere stad in gestuurd. Ik was op vrijdag 7 november op zoek naar Jacques Rigaut, naar een kader, maar eigenlijk moet ik concluderen dat ik het niets om hem heen gevonden heb en daarin moet blijven rondzwemmen.

De avond begint met een dialoog en een monoloog, teksten van Rigaut die een kijkje geven in zijn donkere geest. Als publiek worden we zo midden in het leven van deze getroebleerde man geplaatst. Vooraf wordt aangekondigd dat de avond niet erg theoretisch zal zijn en dat we met vragen bij Dirk van Weelden terecht kunnen. Onthutst kijk ik om me heen, op zoek naar aanknopingspunten, maar vooralsnog niets om me aan vast te houden. Er is alleen de gesproken tekst, de prachtige tekst. ‘Zelfmoord is een laatste toevlucht, nauwelijks minder weerzinwekkend dan een ambacht, of een moraal.’ Rigaut ziet zijn dood dus als nederlaag, maar wordt postuum gevierd om zijn verzet, wanhoop, verwaandheid en akelige obsessie met zelfmoord. Althans, zo blijkt uit de teksten die ik raadpleeg na afloop van de avond.

Van Weelden geeft een uiteenzetting over de manier waarop hij en zijn lotgenoot Martin Bril rond hun twintigste levensjaar gefascineerd werden door de man die besloten had te sterven, die door het niets omhuld werd als het water. Bij de twee twintigers was de mogelijkheid van een toekomstig schrijverschap echter een uitweg uit deze zwaarmoedige toestand en zij konden dan ook slechts tijdelijk meevaren op de stroom die Rigaut wel onvermijdelijk tot de afgrond voerde. Rigaut zegt dat je geen leven kunt leiden met kunst bedrijven. Hij stelde zijn leven en denken in dienst van zelfmoord.

De pauze wordt gevolgd door een korte inleiding van Kees Hin op De enkele jaren uitgestelde dood van Jacques Rigaut, een in 1980 uitgebrachte film van zijn hand. Dit bijzonder inspirerende werk was echter de laatste hoop op verduidelijking. Al gauw blijkt dat het leven van Rigaut hier op tamelijk abstracte wijze wordt vertaald: in het Nederlands, in beelden en in geluiden. En zo verliest ook de film de broodnodige vaste grond die nodig was om op waardige wijze beleefd te worden.

De avond droeg vooral bij aan de mystiek die rond Rigaut bestond, terwijl mijns inziens hier en daar wat achtergrond een onmisbaar kader zou hebben geschapen voor de onwetende toeschouwer. Geen enkele informatie lijkt geput te zijn uit de in 1998 verschenen biografie van Laurent Cirelli over de Fransman, getiteld Jacques Rigaut, portrait tiré. Ook de opkomst van het dadaïsme (in 1916) tijdens de Eerste Wereldoorlog, ontstaan uit een gevoel van walging over een cultuur die zo’n oorlog voortbracht, bleef onderbelicht. Rigaut maakte deel uit van deze beweging en was tevens gelegerd aan het einde van de oorlog. Hij verliest er een zeer goede vriend, en maakt zo - al op jonge leeftijd - van dichtbij kennis met de dood die hij ruim tien jaar later in zijn armen sluit.

Zoals gezegd, het affiche was veelbelovend, maar wie Jacques Rigaut zocht, heeft hem denk ik niet mogen aanschouwen. De schrijver zelf formuleert het echter treffend: ‘De prairie blijft open voor hen die niets hebben gevonden.’

Andere uitspraken die wellicht het vermelden waard zijn:

‘Het belangrijkste was dat ik het besluit genomen had te sterven, en niet dat ik werkelijk stierf.’

‘Ik heb nooit gelachen, behalve als ik lachte.’

‘Ik ben een man die probeert niet te sterven’

‘Als ik wakker word, gebeurt dat tegen mijn zin’

‘Ik bemin u genoeg om niets te zeggen te hebben’

‘Hoe meer mij wordt afgenomen, hoe meer ik bezit’

Erik Bloem